Utrecht, 16 december 2002.

  Utrechts Nieuwsblad, vrijdag 18 oktober 2002.

    'Echte kabouters waren verstoten kinderen'.


GPD
Eindhoven.

Piggelmee? Paulus de boskabouter? Kabouter Plop? Leuke figuurtjes voor kinderen, zegt schrijver Ton van Reen geringschattend. Maar kabouters zijn het niet. Om over de kabouters van Rien Poortvliet maar te zwijgen, 'die fantasieloze broertjes van de tuinkabouter'. Van Reen schreef een boek over de échte kabouters.

"Dit is het eerste boek over de echte kabouters in de hele wereld," zegt hij zonder blikken of blozen. Vandaag wordt 'Klein Volk, leven en werken van de kabouter', van uitgeverij De Geus, officieel gepresenteerd. Dat gebeurt in een boerderij in Helden waarvan met zekerheid vaststaat dat er kabouters gewerkt hebben.
De échte kabouters welteverstaan. De 'verstoten kinderen', zoals Van Reen ze kort maar krachtig definieert. Mongolen, zwakzinnigen, kinderen met een gebrek, gehandicapten, duivelskinderen. Outcasts die letterlijk aan de rand van de samenleving woonden. Verscholen in de bossen. Meestal in de buurt van de boerderijen waar ze geboren waren. Waar ze - bij voorkeur ongezien en dus 's nachts - zwaar werk deden in ruil voor wat eten en drinken.
Van Reen was als kind al in de ban van de oude volksverhalen. Verhalen die zijn grootmoeder hem vertelede tijdens het dagelijkse uurtje kaarten. Als jongetje hoorde hij op de boerderijen in de Peel vele tientallen verhalen. Die vormen de kern van zijn boek.
Zijn oma was degene die hem als jochie inwijdde in het geheim van de kabouters. "Veel van haar verhalen gingen over kabouters. Maar dat zijn geen sprookjes hoor, zei ze. Ze hebben echt bestaan; het zijn verstoten kinderen."
Het is Frits Engels 85 jaar, heeft ze nog gezien. Hij herinnert zich nog dat hij er als jongen van tien op weg naar de kerk eens drie tegenkwam. Drie oude mannetjes met lange baarden en in werkkleren. Ze schrokken. Natuurlijk, want kabouters worden niet graag gezien.
Van Reen heeft zelf nooit een kabouter gezien. Dat kan ook niet, legt hij uit. "Rond 1900 zijn ze langzamerhand verdwenen toen de verpleging opkwam. Vanaf toen werden ze opgevangen in inrichtingen en gestichten." Een lot overigens dat volgens Van Reen zo mogelijk nog erger was dan als verstoten te worden.
Kabouters zijn een typische Brabants en Limburgs verschijnsel. legt Van Reen uit. "De Peelrand is het epicentrum van de kabouters. Daar heb je veel kleine gehuchten. Bekrompen katholieke boerengemeenschappen waar mensen nooit vandaan kwamen. En waar dus veel inteelt was. Mensen uit de streek zeiden: van de tien geboortes waren er twee mongool en één kwee. Een kwee is man noch vrouw."
Mongooltjes werden door de kerk als duivelskinderen gezien. "Weet je dat mongooltjes nog tot in de jaren vijftig niet in de kerk mochten komen. Dat ze niet in gewijde grond begraven mochten worden. Ze werden gezien als heidenen. Ongelovigen. Kinderen van de duivel." De verontwaardiging daarover is mede aanleiding voor het boek. "Het is een eerherstel van de verstoten kinderen.